P O Ë Z I E  van de  B e n e d e n w i n d e n
gedichten, haiku en links
 
Site van Hanni Mettz en Femia Cools

Curaçao


Home
 
Gedichten Haiku Letter
Links
WilvanDongen Worldmusic
& Art
Hanni Mettz Links
Dichters en Schrijvers, Vrijdenkers


 


Gedichten Carel de Haseth
Voorgedragen op Landhuis Bloemhof Curaçao, 6 augustus 2007

 



©
Carel de Haseth
 


 

Clown

clown ben ik
in een wereld van rood

ik lach, ik huil
om geel en groen en grijs
en rood de wereld om mij heen

lachen zal ik blijven lachen
en huilen op zijn tijd
om bruin om blauw om beige
en rood de wereld om mij geen

want clown ben ik
mét u
in rood!



(Hotel Promenade
Bij het schilderij “Clown”
van Jan van Heel (1972))

meer over:
Carel de Haseth

 

 


 

(zolang er kusten zijn)

langs de zoom van de zee
zullen wij hen ongetwijfeld vinden
mensen van onbekende streken
langs kusten van goud, ivoor of slaven
of al was het maar in simpele hutten
aan de monding van een modderrivier
of op overigens nutteloze eilanden

mensen zullen wij zeker vinden
zolang er kusten zijn
waar vis uit het water spoelt
waar schepen komen

en waar wij mensen treffen
zullen wij met hen spreken
in taal, gebaar of daad
: van mens tot mens
 

 

 

als ik aan je denk

als ik aan je denk
denk ik niet aan je lichaam
niet aan je ogen
en niet aan je mond
als ik aan je denk

als ik aan je denk
denk ik niet aan je lichaam
niet aan je benen
niet aan je dijen
als ik aan je denk

als ik aan je denk
denk ik niet aan je lichaam
niet aan je armen
niet aan je borsten
als ik aan je denk

als ik aan je denk
denk ik niet aan je lichaam
dan denk ik aan jóu

en als ik aan je denk
natuurlijk! denk ik ook
aan je lichaam…



 

Gaat u maar rustig slapen....

Wie kent de namen nog
van de wanhopige moeders?

Wie weet de graven te vinden
van de huilende kinderen?

‘t Is allang voorbij
die radeloze angst.

Wie schrikt nog wakker
van smekende moeders?

Wie ziet ’s nachts bezweet
nog de onschuldige kinderogen?

‘t Is allang voorbij
die loden schuld...

Allang voorbij is alles
en we schrijven het weg
:punt uit
ons schoon geweten

Alleen de vrouwen zoeken nog
wanhopig hun mannen
zonen, vaders, broers
alleen zij zoeken nog...

Verweg in Bosnië
en steeds verder gaan zij
al zoekende...

Voor ons
is alles voorbij.
Allang voorbij!

Alleen wij
kennen de luxe
van het voorbij zijn.
 


 

hòmber i muhé

mi tetero
lechi ku vania
mi djus di fruta

mi shimaruku
kenep’i hòfi
makapreim hortá

mi suku
dushi di tur tempu
pan seiku
chupabèbè

mi kalmèki ku funchi
bonch’i kunuku
batata dushi
mi milon

mi tutu ku spèki
karkó stobá
berdè herebé

mi amor na skabechi
bida na zür
kònkòmber pika

mi stima bo
manera hòmber
ta stima muhé!...

 


 


 

elegie

I.
uit Afrika
nam je mij mee
wreed
en meedogenloos

en later
-- ergens op zee --
nam je mij
wreed weer
én meedogenloos


II.
de schande
vaart mee

zuigt zich
in mij

is onuitwisbaar


III.
bloedend
mijn polsen
in boeien

onzichtbaar
bloedend
ook mijn hart

onzichtbaar
maar vrij!


IV.
eelt vormde zich
aan mijn handen
mijn voeten

eelt ook
aan mijn hart

V.
je ketende mij
en bij voorbaat
mijn kinderen
en kindskinderen

ongemerkt
ketende je toen
ook jouw lot
aan het mijne


VIII.

als de melasse in de ketels
langzaam kristalliseert
tel jij je winst

en beseft wellicht
dat de kapmessen
steeds weer gewet worden

zolang het goed gaat....
 

 

 


 

zal ik dan klok

zal ik dan klok of
trap of gevel zijn
de lucht alleen voor vogels
het licht getemperd door wat wolken

ik spiegel mij in ’t water
en eenden zwemmen dan voorbij
wie langsloopt ziet mij niet
alleen wie staat, staat stil

zo is de stad gebouwd
voor leven en voor ’t water
ik wacht geduldig
op de tijd, op later

 

 

 


 

De vierde regel

En waar de haan het kraaien laat
De trommelaar vergeefs een koekblik zoekt
De zon geen schaduw meer wil zien
Hier zou een vierde regel moeten staan.

Waarom de hond geen pootje geeft
De molenaar om wind verlegen zit
En zelfs kikkers niet meer kwaken
De vierde regel vult zichzelf wel in

De bonen stomen zich vanzelf wel gaar
Een pan die koud staat op ’t fornuis
Een vierde regel hoeft hier niet

Pirèng! Pirèng! Een klank als scherpe tanden
De mieren laten het hoofdmaal liggen
Dit is de vierde regel niet: de laatste.
 

 

 


 

stilte van de nacht

in de stilte van de nacht
klinkt een verre voetstap
aandachtig luister ik
als zou ik aan zijn gang
weten wie daar gaat

heel even blaft een hond
en verder geen geluid
alleen een bij op tafel
draait rondjes op zijn rug

nu twijfel ik aan mijn gehoor
geen stap, geen schuifel, niets
alleen de stilte van de nacht
 





 









terug naar boven

als ik dan op sterven lig

als ik dan op sterven lig
maak er iets dramatisch van
en laat mij niet zomaar gaan

neem me in je armen
hou mij stevig vast
en luister naar mij zuchten

naar mijn smachten om meer
meer van je liefde, je lichaam
meer van het leven

als ik dan op sterven lig
maak er iets dramatisch van

laat mij vooral niet zomaar gaan
geef mij je liefde, je lichaam mee…
 

 


 

eens zal ik je schilderen

eens zal ik je schilderen
laag voor laag op het linnen
ontdoen van je kleren
kleur voor kleur
zal ik je geur meegeven
de zachte rondingen van je lichaam
je lach zal ik vangen
en je haren ontwarren
en blijven ontwarren

eens op een dag
wanneer de liefde geen tijd kent
zal mijn penseel over je glijden
mijn verf je lichaam dekken

 

 

 

Bokken gaan ons voor

bokken gaan ons voor
de nacht in
de dag door
steeds gaan ze voor

leidzaam leggen wij
onder zon en maan
de geitenpaden
van het leven af

waarheen?
het antwoord
aan de geiten…

(Bij het schilderij
“Carnaval met bokken” van
Kees Andréa, Promenade Hotel)
 

 


 

bergtoppen zijn er genoeg

bergtoppen zijn er genoeg
uitdagende om vlaggen op te planten
andere al met een vlag in de wind

maar ik verkies veeleer
de diepte te verkennen

af te dalen langs de heuvels
voorzichtig de naakte flanken
de gladde wanden
met mijn handen af te tasten

langzaam omlaag te glijden
mij geheel te laten gaan
in de geborgenheid
van de afgesloten ruimte

bergtoppen laten mij koud
ik verlang er echter hevig naar
de warme intimiteit te ervaren
die jij voor mij verborgen houdt
 

 


 

bang ben ik voor deze nacht

bang ben ik voor deze nacht
en voor ’t geluid van golven
ritmische leegte van eenzaamheid
en stilte van het onbeslapen bed

de lichten van de straat
strelen de muren van de kamer
mijn lichaam moet het doen
met lucht, herinneringen

deze nacht kent geen haast
dit bed geen liefde
en de zee…

die kent slechts drenkelingen

 



 

ik droom dat ook jij

ik droom dat ook jij
de slaap niet vatten kunt
en woelt en keert en
steeds opnieuw op zoek
en niets gevonden zucht

ik droom dat ook jij
je kussen schudt en denkt
een spoor heel vaag
te ruiken van mijn verre geur
en dan weer zucht en keert

ik droom dat als je dan
de slaap gevonden hebt
mijn lippen aan je lippen voelt
mijn lichaam bij het jouwe
mijn adem, passie
zacht beroeren voelt

ik droom dan ook dat jij
nu droomt mijn warmte
weer te kunnen voelen
mijn naakte lichaam
vermoeide slaap
de vrede na de daad

 



 

Kunuku

mainta tempran
ora harí di solo ta pinta nubianan ros
i rosea friu di mardugá hui pasa
muhando murayanan di kas grandi
ora gai kanta di alegria
ku lus a bolbe vense skuridat
den kurá di kabritu
lamchinan ta lanta
zonzá ainda di siño
buskando pech’i nan mama
pa baha hamber
i karnénan ku stèm hes
ta roga vitó habri port’i stal
pa nan sali bai mondi

band’i mangazina
un hòmber ta mula machete
miéntras fo’i mas aleu den kunuku
por tende kon chapinan
ta drenta tera topa piedra
i mucha ta kore grita spanta para
den vèlt di maishi
trabou ku wantombanan n’ logr’i hasi

den hòfi un mulina ta keha den bientu
miéntras su pipanan ta basha awa
boka yen den baki
i prikichi freipòstu ta hasi fiesta
den palunan di mespel i mango

ai! no gaña bo mes!
murayanan di kurá di bestia a kai aden
piedr’i mula ta bentá abou na suela
kibrá na mitar
mondi a sera tapa vèlt di maishi
i frus a venená e mulina
ku awor ta su so pará
meimei di algun tronkon yen di komehein
: bo kunuku n’ t’ei mas
i pronto nan lo kuminsá basha shushi
o habri kaminda pa konstruí kas…

 


 


 

tuma di mi

tuma di mi
loke bo ke tuma
loke por ta útil
loke bo por husa
loke bo ke saboriá
loke bo ke warda

tuma di mi
loke bo ke tuma
i si sobra…
laga sobrá pa bientu
lagué pa kachó!
 

 

 

neem van mij

neem van mij
wat je nemen wilt
wat nuttig kan zijn
wat je gebruiken kunt
waar je van genieten kunt
of wat je bewaren wilt

neem van mij
wat je nemen wilt
en als er over blijft…
laat de rest voor de wind
laat het voor de honden!

 

 

totèki
saka bo bus
koba mi mama
skopapel dje mat’aki
sí lo mi keda kome
 

 

 

 

boomhagedis
blaas je maar op
scheldt mij maar uit
met de schubappels van deze struik
vul ik lekker toch mijn buik

 

 

 

kangreu
es ta duele
k’un bestia manera bo
ku por kana bai dilanti
bai p’atras
ku por kana duars
ku tur seis pia ku bo tin
nunka n’ siña balia tumba
krab
is het niet jammer
dat een dier
dat zoals jij zich kan verplaatsen
naar voren en naar achteren
en ook nog overdwars
met alle zes zijn poten
nooit geleerd heeft de tumba goed te dansen

 


 

uil
om de taal van de uilen
te kunnen spreken
zijn woorden niet
noch toverij alleen
voldoende
 
palabrua
pa papia
palabrua
ni palabra
ni brua so
n’ta basta

 

 

bier en brood

bier en brood
het kind op schoot
het glas half vol
en lauw de fles

geen pijn
geen pen
papier
en bier en brood
het kind op schoot



 

er is een trap

er is een trap met geel en groen
en uitgesleten treden
hij leidt je niet omhoog
hij kent slechts naar beneden

en blauw zijn dan de golven
de zee de lucht een enkele keer
maar meestal grijs en grauw
en wolken glijden voor de zon

 

 

 

Onaf sonnet

onaf sonnet

de dood waart ’s avonds hier nog rond
het kreunend sterven van een jong soldaat
hij zag de kogel niet die hem hier vond
de muren nu verlaten, desolaat

er groeit met moeite nog wat gras
verroest vernageld de kanonnen
het is niet meer wat het ooit was
de tijd heeft deze strijd gewonnen

een klok meen ik te horen
ver weg uit het verleden
blauw de lucht en geel de toren

er wordt niet meer gebeden
alleen de wind is nog te horen
zoals ’t ook was in ‘n ver verleden


 


 

stoffig zijn de mensen hier

stoffig zijn de mensen hier
zoals zij langs de straten gaan
een restje schaduw aan hun voet
vertraagt de zon hun lome gang

muziek drijft op de wind voorbij
geluiden uit een ver vergane tijd
weerkaatsen op wat muren moeten zijn
uit zee verstoten steen blijft moeizaam overeind

stoffig zijn de mensen hier
nog voor hun tijd gekomen is
nog voor de wind hen meeneemt
hen langs de muren van de stad verwaait
hun restje schaduw uitveegt

 
   
© Femia Cools
login for free hit counter
html hit counter code