Wil van Dongen
Gesponnen Zand

 


Trilogie - Gebroken Sporen
 

 

Speurdersroman
ISBN
90-77713-26-3
of 978-90-77713-26-6

Hier bestellen (bij Uitgever)
via de boekhandel of bij Amazon.com

 



 

Te koop via de uitgever, boekhandel en www.amazon.com

En zij leefden nog lang en gelukkig,
een loze kreet aan het einde van een sprookje of een strijd tegen draken, een verzuchting na een verhaal zoals het hóórt, met pijn, verdriet, woede, doden en zwaar bevochten ontknopingen. Het lange geluk blijft onbeschreven, niemand vraagt nieuwsgierig: hoe gelukkig, en hoe lang?
 
Commentaar:
Dit deel van de trilogie heeft een Tony Hillerman-achtige speurderskwaliteit. De hoofdpersonen uit (Onvoltooide Tijd) leven gelukkig, in liefde en troost. Zij lossen het raadsel op van de door een beer gedode jongen die op het landgoed wordt aangetroffen, en zijlopen daarbij elkaar met opzet in de weg.
 
Geen verhaal
Jennifer sloeg het boekje dicht. En ze leefden nog lang en gelukkig, herhaalde ze. Het is de allerlaatste zin in het boek. Het is altijd het eind in plaats van het begin, dacht ze. Wil niemand weten hoe men gelukkig is? Is alleen de vraag ‘krijgen ze elkaar’ van belang? Vraagt niemand zich ooit af waaruit die lange jaren van geluk bestaan. Hoe twee mensen samen gelukkig zijn en hoe ze het volhouden? Streven wij niet allemaal het geluk na? Hebben we daar niet allemaal recht op? Maar het doet er niet toe. ‘En zij leefden nog lang en gelukkig’. Eind, uit. Zit geen verhaal in.
Ze stond bij het open raam. Haar donkerbruine, bijna zwarte haren glansden in het bleke zonlicht dat warmte gaf dwars door de dunne witte wolken. Ze keek over haar landgoed, over de bomen, naar de bergen waarvan de toppen blauw leken. Soms waren ze grijs, soms roodachtig of geel, bijna goud. De zon speelde iedere dag met die verre kronen waar omheen altijd wolken dreven. Zij vermoedde er voorouders die met onvermoeibare ogen het leven in de vallei, op de boerderij, in het bos en aan de oever van de rivier volgden. En met regen, stofduivels, bliksem en donder hun boodschappen zonden aan de mensen die nu, hier, op de voor hen heilige grond, hun leven leefden in volgzaamheid, gehoorzaam aan de lessen van de voorouders. Het was windstil. Ze hoorde de krekels in het gras en de vogels in de bomen. In de verte klonk het tikken van een specht; door de echo leek het alsof hij haast had en met dubbele snelheid een gat in de bast maakte. Ze dacht aan de mensen in het dorp, de zesenvijftig brave lieden die het landgoed met haar deelden. Ze glimlachte. Mijn dorpelingen. Ze keek naar beneden. Vier roze lakens en haar favoriete badlaken, dat met de zonnebloemen, hingen doodstil aan de lijn, die tussen een spijl van de balustrade van het balkon en een dunne boom aan de rand van haar tuintje gespannen was. Ze zag Sam in haar tuintje staan. Hij rook aan de rozen, zijn hoofd wiegde heen en weer en met zijn voeten maakte hij pasjes alsof hij een wals danste. Eén, twee, drie. Het beeld bracht een vrolijke schittering in haar zwarte ogen. Mijn lieve man, dacht ze, mijn meesterpianist, kijk hem. Hij wentelt zich in de geuren van mijn rozen en hoort zoete muziek in zijn hoofd. Waarom wil niemand het verhaal van geluk vertellen? Wil niemand een antwoord? Wil niemand weten of we moeite doen, of we ons inspannen om gelukkig te zijn? Of we wel eens twijfelen aan ons vermogen gelukkig te zijn en te blijven? Welk lied hoort Sam? Een wals voor mij? Opdat hij me weer in zijn armen kan nemen en op golven van muziek met mij weg kan zeilen naar een plekje dat alleen voor ons is, waar hij me kan kussen en me zal toefluisteren dat hij nog even verliefd is als bij de eerste keer dat hij me zag, en waar wij.. Charlotte plaagt me er nog steeds mee, één, twee,
drie. Ze is als een kind met haar kinderen en ziet mij als haar zuster, haar hartsvriendin. Zij is teveel met de kinderen bezig, ze is altijd op het landgoed. Wie kan haar vriendin zijn? Zoals Connie, Trish en Barbara mijn vriendinnen zijn.
Het raam trilde, de wind trok aan het boekje in haar hand. De lakens wapperden, het badlaken met de zonnebloemen stond opeens horizontaal, de waslijn trilde. Ze glimlachte en dacht eraan waarheen de bloemen zouden waaien als de wind ze van de grote handdoek blies. Iemand zou de grote bloemen in de tuin aantreffen, op het dak van het hondenhok, bij een baby in de wieg. Het water van het meer werd zwart. Jennifer boog zich voorover en pakte het raam om het dicht te trekken. Het hout leek verweerd. Er zat nog maar hier en daar een beetje witte verf op. Het was haar nooit eerder opgevallen dat het hout bijna kaal was.
Sam moet Tom vragen het te schilderen, dacht ze. Maar niet nu. Het gaat onweren.
Ze snoof de frisse lucht op, waarin het vocht van de komende bui al te ruiken was. De krekels waren stil en het kloppen van de specht
was gestopt. Ze trok het raam dicht, het protesteerde met een weerbarstig knarsen. Ze vergrendelde het. Ik moet de was van de lijn halen, dacht ze, en Sam moet naar binnen komen.
Ze wilde naar het balkon gaan om hem te roepen, maar ze zag dat Tom er aan kwam en zijn vader op de schouder klopte. Hij wees naar de lucht. Sam knikte en liep met hem mee naar de balkontrap.
Ze glimlachte. Tom wil minstens tien kinderen hebben, zegt hij. Wel, hij en Charlotte zijn er jong genoeg voor, dacht ze. Ze drukte haar neus tegen het raam. Ze wilde Tom vragen de lakens en de handdoek van de lijn te halen, maar ze kon hem al niet meer zien. Jennifer keek naar het open kastje dat naast het raam aan de muur hing. Wat vreemd, dacht ze, waar is het doosje gebleven?

Ze heeft van Trish, haar secretaresse, een doosje gekregen. Het is donkergroen van buiten en de binnenkant is bekleed met rode stof. Het is eigenlijk om sieraden in op te bergen, maar Jennifer heeft geen sieraden. Ze draagt een adelaarsveer bij ontmoetingen met leiders van andere volken, of wanneer ze optreedt als Eerste Dochter van de Standing Bear Clan, de Clan die aan de rivier in het bos woont, op haar landgoed. Ze heeft een steen in het doosje gedaan. Een mooie ovale spiegelgladde lichtgroene polijststeen. Een erfstuk. De steen is zo glad dat hij ingevet lijkt. Naast het doosje stond lange tijd een pot van rood aardewerk, gemaakt door Maria Celestino, een pottenbakster die in één van de bergdorpen woonde die ten noorden van het landgoed liggen. De lichte plek in het hout, waar de voet van de pot geen daglicht toeliet, was nog te zien.

Iets te bezitten van je voorouders is rijkdom, dacht ze. Ik ben blij dat ik de pot aan de kleindochter van Maria heb gegeven. Ik genoot iedere dag van de schoonheid van de pot, maar voor haar is de pot meer dan schoonheid.
Maar waar kan het doosje zijn? Waar is de steen? Ik moet het doosje zoeken. Voorouders, dacht ze, wie kent zijn voorouders? Heeft Sam voorouders? Sam weet niets van indianen. Mijn Rus uit Siberië. Sam maakt muziek. Wanneer hij speelt
, wil hij dat ik bij hem zit. Ik hoef niet te luisteren, zegt hij. Ik kan mijn werk doen, een boek lezen, of uit het raam kijken. Als jij maar bij me bent, zegt hij, dan ben ik ontspannen en dan speel ik beter. Ik houd van zijn handen, maar ik kijk nooit naar zijn spel. Ik luister. Ik luister of hij de muziek speelt zoals hij die in zijn hoofd hoorde, zoals ik die hoorde met hem. Ben ik gelukkig, is Sam gelukkig? En onze kinderen, mijn dochter, Charlotte en zijn zoon, Tom, zijn zij gelukkig met elkaar?
Ze liep naar de deur om vader en zoon te begroeten. Verdraaid, zei Sam, ik heb mijn vinger opengehaald aan een doorn van je rozenstruik.

 
 

login for free
html hit counter code
 

Webdesign by Femia Cools
more sites by Femia Cools
www.curacaonu.com
www.hikingcuracao.net
http://www.coolsplanet.com
   http://www.villabondia.nl