En zij leefden
nog lang en gelukkig,
een loze kreet aan het einde van een
sprookje of een strijd tegen draken, een verzuchting na een
verhaal zoals het hóórt, met pijn, verdriet, woede, doden en
zwaar bevochten ontknopingen. Het lange geluk blijft
onbeschreven, niemand vraagt nieuwsgierig: hoe gelukkig, en hoe
lang?
|
Commentaar:
Dit deel van de trilogie heeft een Tony Hillerman-achtige
speurderskwaliteit. De hoofdpersonen uit (Onvoltooide Tijd) leven
gelukkig, in liefde en troost. Zij lossen het raadsel op van de
door een beer gedode jongen die op het landgoed wordt
aangetroffen, en zijlopen daarbij elkaar met opzet in de weg. |
| |
|
Geen verhaal
Jennifer sloeg het boekje dicht. En ze leefden nog lang en gelukkig,
herhaalde ze. Het is de allerlaatste zin in het boek. Het is altijd het
eind in plaats van het begin, dacht ze. Wil niemand weten hoe men
gelukkig is? Is alleen de vraag ‘krijgen ze elkaar’ van belang? Vraagt
niemand zich ooit af waaruit die lange jaren van geluk bestaan. Hoe twee
mensen samen gelukkig zijn en hoe ze het volhouden? Streven wij niet
allemaal het geluk na? Hebben we daar niet allemaal recht op? Maar het
doet er niet toe. ‘En zij leefden nog lang en gelukkig’. Eind, uit. Zit
geen verhaal in.
Ze stond bij het open raam. Haar donkerbruine, bijna zwarte haren
glansden in het bleke zonlicht dat warmte gaf dwars door de dunne witte
wolken. Ze keek over haar landgoed, over de bomen, naar de bergen
waarvan de toppen blauw leken. Soms waren ze grijs, soms roodachtig of
geel, bijna goud. De zon speelde iedere dag met die verre kronen waar
omheen altijd wolken dreven. Zij vermoedde er voorouders die met
onvermoeibare ogen het leven in de vallei, op de boerderij, in het bos
en aan de oever van de rivier volgden. En met regen, stofduivels,
bliksem en donder hun boodschappen zonden aan de mensen die nu, hier, op
de voor hen heilige grond, hun leven leefden in volgzaamheid, gehoorzaam
aan de lessen van de voorouders. Het was windstil. Ze hoorde de krekels
in het gras en de vogels in de bomen. In de verte klonk het tikken van
een specht; door de echo leek het alsof hij haast had en met dubbele
snelheid een gat in de bast maakte. Ze dacht aan de mensen in het dorp,
de zesenvijftig brave lieden die het landgoed met haar deelden. Ze
glimlachte. Mijn dorpelingen. Ze keek naar beneden. Vier roze lakens en
haar favoriete badlaken, dat met de zonnebloemen, hingen doodstil aan de
lijn, die tussen een spijl van de balustrade van het balkon en een dunne
boom aan de rand van haar tuintje gespannen was. Ze zag Sam in haar
tuintje staan. Hij rook aan de rozen, zijn hoofd wiegde heen en weer en
met zijn voeten maakte hij pasjes alsof hij een wals danste. Eén, twee,
drie. Het beeld bracht een vrolijke schittering in haar zwarte ogen.
Mijn lieve man, dacht ze, mijn meesterpianist, kijk hem. Hij wentelt
zich in de geuren van mijn rozen en hoort zoete muziek in zijn hoofd.
Waarom wil niemand het verhaal van geluk vertellen? Wil niemand een
antwoord? Wil niemand weten of we moeite doen, of we ons inspannen om
gelukkig te zijn? Of we wel eens twijfelen aan ons vermogen gelukkig te
zijn en te blijven? Welk lied hoort Sam? Een wals voor mij? Opdat hij me
weer in zijn armen kan nemen en op golven van muziek met mij weg kan
zeilen naar een plekje dat alleen voor ons is, waar hij me kan kussen en
me zal toefluisteren dat hij nog even verliefd is als bij de eerste keer
dat hij me zag, en waar wij.. Charlotte plaagt me er nog steeds mee,
één, twee,
drie. Ze is als een kind met haar kinderen en ziet mij als
haar zuster, haar hartsvriendin. Zij is teveel met de kinderen bezig, ze
is altijd op het landgoed. Wie kan haar vriendin zijn? Zoals Connie,
Trish en Barbara mijn vriendinnen zijn.
Het raam trilde, de wind trok aan het boekje in haar hand. De lakens
wapperden, het badlaken met de zonnebloemen stond opeens horizontaal, de
waslijn trilde. Ze glimlachte en dacht eraan waarheen de bloemen zouden
waaien als de wind ze van de grote handdoek blies. Iemand zou de grote
bloemen in de tuin aantreffen, op het dak van het hondenhok, bij een
baby in de wieg. Het water van het meer werd zwart. Jennifer boog zich
voorover en pakte het raam om het dicht te trekken. Het hout leek
verweerd. Er zat nog maar hier en daar een beetje witte verf op. Het was
haar nooit eerder opgevallen dat het hout bijna kaal was.
Sam moet Tom vragen het te schilderen, dacht ze. Maar niet nu. Het gaat
onweren.
Ze snoof de frisse lucht op, waarin het vocht van de komende bui al te
ruiken was. De krekels waren stil en het kloppen van de specht
was
gestopt. Ze trok het raam dicht, het protesteerde met een weerbarstig
knarsen. Ze vergrendelde het. Ik moet de was van de lijn halen, dacht
ze, en Sam moet naar binnen komen.
Ze wilde naar het balkon gaan om hem te roepen, maar ze zag dat Tom er
aan kwam en zijn vader op de schouder klopte. Hij wees naar de lucht.
Sam knikte en liep met hem mee naar de balkontrap.
Ze glimlachte. Tom wil minstens tien kinderen hebben, zegt hij. Wel, hij
en Charlotte zijn er jong genoeg voor, dacht ze. Ze drukte haar neus
tegen het raam. Ze wilde Tom vragen de lakens en de handdoek van de lijn
te halen, maar ze kon hem al niet meer zien. Jennifer keek naar het open
kastje dat naast het raam aan de muur hing. Wat vreemd, dacht ze, waar
is het doosje gebleven?
Ze heeft van Trish, haar secretaresse, een doosje gekregen. Het is
donkergroen van buiten en de binnenkant is bekleed met rode stof. Het is
eigenlijk om sieraden in op te bergen, maar Jennifer heeft geen
sieraden. Ze draagt een adelaarsveer bij ontmoetingen met leiders van
andere volken, of wanneer ze optreedt als Eerste Dochter van de Standing
Bear Clan, de Clan die aan de rivier in het bos woont, op haar landgoed.
Ze heeft een steen in het doosje gedaan. Een mooie ovale spiegelgladde
lichtgroene polijststeen. Een erfstuk. De steen is zo glad dat hij
ingevet lijkt. Naast het doosje stond lange tijd een pot van rood
aardewerk, gemaakt door Maria Celestino, een pottenbakster die in één
van de bergdorpen woonde die ten noorden van het landgoed liggen. De
lichte plek in het hout, waar de voet van de pot geen daglicht toeliet,
was nog te zien.
Iets te bezitten van je voorouders is rijkdom, dacht
ze. Ik ben blij dat ik de pot aan de kleindochter van Maria heb gegeven.
Ik genoot iedere dag van de schoonheid van de pot, maar voor haar is de
pot meer dan schoonheid.
Maar waar kan het doosje zijn? Waar is de steen? Ik moet het doosje
zoeken. Voorouders, dacht ze, wie kent zijn voorouders? Heeft Sam
voorouders? Sam weet niets van indianen. Mijn Rus uit Siberië. Sam maakt
muziek. Wanneer hij speelt, wil hij dat ik bij hem zit. Ik hoef niet te
luisteren, zegt hij. Ik kan mijn werk doen, een boek lezen, of uit het
raam kijken. Als jij maar bij me bent, zegt hij, dan ben ik ontspannen
en dan speel ik beter. Ik houd van zijn handen, maar ik kijk nooit naar
zijn spel. Ik luister. Ik luister of hij de muziek speelt zoals hij die
in zijn hoofd hoorde, zoals ik die hoorde met hem. Ben ik gelukkig, is
Sam gelukkig? En onze kinderen, mijn dochter, Charlotte en zijn zoon,
Tom, zijn zij gelukkig met elkaar?
Ze liep naar de deur om vader en zoon te begroeten. Verdraaid, zei Sam,
ik heb mijn vinger opengehaald aan een doorn van je rozenstruik.
|
|