|
Spelmomenten,
gespeeld door twee kinderen,
net tieners, die thuis weinig geborgenheid vinden.
Wanneer zij bij elkaar zijn openen zij een rood doosje waarin
zich de hoofdfiguren van hun verhalen bevinden. Jennifer
Brits-Indiaans, Samo een Rus.
De kinderen stellen de figuren op en fantaseren een eigen wereld
van warmte, dans, muziek en romantiek.
De personages ontwikkelen zich spelenderwijs tot levensechte
mensen. Zij leven met familie en vrienden in een dorp op een
landgoed, een reservaat, ver van de bewoonde wereld.
Een liefdesverhaal met positieve afloop, terwijl de kinderen het
zelf moeilijk hebben met hun gevoelens.
|
|
Een Spelmoment:
... Er is hier niemand die ons ziet. Je moet het dus
opschrijven wat wij verzinnen, dan kunnen ze het lézen. We
laten haar – hij wees op Jennifer – aan jou vragen het
verhaal op te schrijven. Het is een goed idee van je, Jon,
we gaan het opschrijven. Je hebt gelijk.
Zelden, zei hij, maar ik zal je zeggen hoe
het gaat: Jij bent heel oud. Jennifer staat aan het
voeteneinde van je bed. Waarom moet ik oud zijn, vroeg ik.
Sst! gebaarde Jon. Hello, zegt
Jennifer, am I right? Is it really you? Ze gaat op de rand
van je bed zitten. Jullie beginnen allebei te praten, de
taal maakt niet uit. Jullie verstaan elkaar. Ik wil er zeker
van zijn dat ons verhaal niet vergeten wordt, zegt ze. Je
moet het vertellen. Je kunt ons niet meenemen in je graf,
wij willen overleven.
Waarom moet ik oud zijn, vroeg ik.
We moeten vijftig jaren in de toekomst denken, en dan
terugdenken, zei Jon.
Wat ingewikkeld. Hoe wil je ons verhaal levend houden,
wanneer het al vijftig jaar uit de tijd is?
Jon keek naar mijn bed. Hij telde de strepen op de deken.
Een paardendeken, zei hij. Hoe kom je daar aan?
Ik antwoordde niet, want Jon sloot zijn ogen, hij dacht na.
Ik zie haar, zei hij. Ze is een grote vrouw. Donkerbruin,
bijna zwart golvend lang haar, een scherpe neus, rode lippen
en een wit gebit, zoals in de tandpasta reclame. Ze heeft
diepzwarte fonkelende ogen.
Wat romantisch, zei ik.
Stil toch! Kijk, we beginnen zo, zei Jon. Hij pakte het rode
doosje, waarin we de spelers van ons spel bewaarden. Hij
trok aan het deksel, dat zo nauw om de doos sloot dat hij
het stevig moest vasthouden, opdat het niet uit zijn hand
zou glippen. Het deksel zoog langzaam lucht op, zoals een
pomp water omhoog zuigt, totdat het bijna de bovenrand van
het doosje bereikte en plotseling los was. Jon nam de vier
hoofdpersonen uit het doosje en zette ze naast
elkaar op de vloer. Hij spreidde zijn armen.
Dit is het landgoed, zei hij. Deze vier zijn de
hoofdrolspelers, en meneer Sakamato natuurlijk. Wij zijn
stervelingen, maar zij blijven leven, want jij gaat hun
verhaal vertellen, jij gaat het opschrijven. Wij kennen hun
gedachten, wij maken er woorden van, zij nemen ze mee, delen
ze uit, spreken ze, roepen, zingen, dansen ze en wij
luisteren, met nieuwe gedachten die we al hebben, voordat ze
van woorden voorzien zijn.
Waarom moet ik het eigenlijk
schrijven, vroeg ik, waarom schrijf jij het niet op?
Jij gaat het doen, zei hij beslist, want jij maakt geen
fouten als je hors d’oeuvre schrijft. |
|
Het Verhaal:
En ik stond daar. Nat. Mijn jas droop.
Mijn broek, mijn laarzen, alles was nat aan me. In de rand van mijn hoed
stond een laagje water, de druppels gleden langs de kraag, langs mijn
hals naar beneden. Toen ik binnenkwam, zaten Tom en Charlotte op de bank
te zoenen, ze keken op en zeiden tegelijkertijd ‘sorry’. Ik zei: waarom
sorry? Dit is jullie huis, jullie kamer. Ik zag in Charlottes ogen dat
ze opgewonden was. Hoewel ik me vies voelde en erg moe was, moest ik
lachen, want ik zag in mijn dochters ogen precies dat wat ze bij mij
meent te zien, wanneer Sam en ik in de ochtend naar het familiehuis
komen voor het ontbijt. Dan kan ze het niet laten ‘drie drie drie’ te
gebaren. Ik kon zien aan haar houding dat ze zich gefopt voelde. Het was
mijn beurt mijn tong uit te steken, maar ik deed het niet.
Mijn kleren waren zo door en door nat, dat ik de leren handschoenen niet
van mijn vingers kon krijgen. Ze zogen zich vast aan mijn huid. Tom en
Charlotte bleven naar me kijken zonder te bewegen en ik stond maar te
hannesen met mijn kleren. Ik was verbaasd dat Sam niet in de kamer was.
Tom had beloofd hem te halen. Er werd een zware storm verwacht die
waarschijnlijk over het landgoed zou komen. Hij vertelde me later dat
Sam niet wilde meekomen, hij dacht dat zo’n storm wel mee zou vallen,
dat de bomen het huis zouden beschutten. Tom had de telefoons ontkoppeld
en tegen Sam gezegd dat hij dingen van waarde in de benedenruimte moest
opbergen. Hij had zijn vader die nog steeds protesteerde - hij wilde
thuis op mij wachten - meegesleurd naar het hoofdhuis. Ze redden het
niet.
Op het moment dat we Freds kamer binnen gingen, barstte het onweer los.
De bliksemschichten werden vrijwel onmiddellijk gevolgd door de
donderslagen. Ik rolde me in de deken, ging dwars over het bed liggen,
aan het voeteneinde, zover mogelijk van het raam. Sam zat naast me en
begon me te wrijven. Bij de tweede slag kwamen de kleinkinderen de kamer
in hollen. Ze waren bang. Sam liet zich op de grond zakken, ik legde
mijn hoofd op zijn arm en de kinderen kropen bij hem op schoot. Ik legde
kussens tegen mijn rug, om ons te beschermen tegen rondvliegend glas.
De druk van de wind was zo groot, dat een brekende ruit ons zou kunnen
raken.
Fred had geen tijd gehad de luiken te sluiten.
Terwijl ze nog
voortholden braken de wolken open en lieten hun last vol op de mannen
neerkomen. De wind joeg de regen met grote snelheid over de
binnenplaats. Binnen een paar tellen waren ze drijfnat. Net als ik. Ik
leek vast te plakken op de kamer-vloer. Ik kreeg geen beweging in de
leren kleding. Het lauwe water in mijn laarzen werd koud.
Waar is Sam,
vroeg ik.
Tom en Charlotte wezen naar de piano-kamer. Toen ik
me omdraaide opende Sam de deur. Hij struikelde bijna over de hoge
drempel en nam mij in zijn armen. Hij drukte zo hard tegen mijn lichaam,
dat het water met een piepend geluid uit de plooien van mijn jas werd
geperst. Maar hij hoorde het niet, zo gelukkig was hij dat ik veilig
thuis was gekomen. Terwijl wij innig stonden te kussen, verdwenen Tom en
Charlotte naar hun slaapkamer, om dat voort te zetten wat ze deden toen
ik de kamer binnendreef. Fred had me thuisgebracht en was met de paarden
naar de stallen gevlucht. Het regende zo hard dat hij niet naar het huis
kon komen en wij konden niet naar ons huis.
Sam hielp me met uitkleden en pakte een broek en hemd van Fred. Ik was
koud geworden. Hij wikkelde mij in een deken. Dat doet hij wel vaker en
noemt me dan ‘mijn lieve blanket indian’. Hij bedoelt het als grapje,
hij weet niet dat het beledigend is zoiets te zeggen. Oom Walter zou
zeggen; goed dat het geen pokkendeken is.
We hoorden de bliksem in een boom slaan, pannen werden van het dak
gerukt, de ramen leken ieder moment te kunnen barsten. Tom kwam binnen
om de kinderen te halen, Charlotte volgde hem. Ze wilde me niet
aankijken, maar ze staarde naar Sam die de glans in haar ogen herkende
en even met verlangen naar haar lichaam keek. Ze bukte zich snel naar
Kleine Walter en zei dat hij met haar mee moest komen naar hun
slaapkamer. Kleine Margareth klemde zich vast aan Toms arm en trok hem
door de pianokamer achter Charlotte aan. In de deur-opening draaide Tom
zich om naar zijn vader en knipoogde naar hem. Sam lachte zacht. Zo
moeder zo dochter, zei hij. |
Zo was
het, denk ik, alsof Jennifer zelf vertelde. Jon en ik, lagen
op de vloer en keken toe, niet wetend wat het volgende
moment zou brengen, terwijl zij met de anderen op de
speelvloer van donkerbruine houten planken in een groep
bijeenstond. Zij praatten, lachten, riepen druk gebarend
naar omstanders en voorbijgangers.
Spoedig zou meneer Sakamato op de gong slaan. De gongslag
die het begin van het toneel, een feest, bijeenkomst of
avontuur aankondigde, in het dorp, op de binnenplaats van de
boerderij of elders, of aan de oever van het meer.
Op de vloer was het dan even stil. De groep wachtte op een
teken van mij of van Jon om zich in een nieuw spelmoment te
storten, een trektocht door de woestijn, per kano over de
rivier, een rit te paard of gezeten in een koets op weg te
gaan naar een eindbestemming die ze niet kenden die langzaam
uit hun eigen bewegingen, min of meer bij toeval gekozen uit
een vrijwel onuitputtelijke voorraad van mogelijkheden,
spontane invallen en de dwingende klok aan de muur achter
ons, denkbaar werd, maar die evenzeer ingegeven werd door
ontmoetingen met anderen, gasten in een hotel, bezoekende
familieleden, of doordat zij een wild dier op hun weg
vonden, overvallen werden door een plotseling opkomende
storm, zware regen of sneeuwval, en op slag veranderen kon
of soms zelfs beëindigd werd en op een andere dag niet meer
van belang was of opnieuw in onze gedachten kwam. |
Wat lezers zeggen:
Een heel bijzonder verhaal, geschreven door een
vaardige auteur.
Geladen en suggestieve dialogen tussen de twee kinderen, Wil en Jon.
Een verrasssend en warm verhaal van liefde, troost en drama.
|
Aan de telefoon: ...
Else: kwam wat moeilijk op gang, heb het in één keer uitgelezen,
en wilde meteen aan deel 2 beginnen. Wanneer komt het?
Haro: nam eerst niet de tijd om het begin goed te lezen. Heb de
eerste pagina's toen een paar maal opnieuw gelezen om alles goed
te laten doordringen. Lees het boek in stukjes, eigenlijk zoals
het gespeeld werd, maak van de spelmomenten leesmomenten. Nu zit
ik er helemaal in.
Bettine: oh wat goed! Wat een leuke schrijfstijl heb je. Die
kinderen, ja, die bloedeloze sfeer kwam heel goed over. En wat
interessant om zo onverwacht tussen Indianen te zitten.
Magda: werkelijk fantastisch. Wat een wereld! In deel 2 schrijf
je niet meer vanuit het perspectief van de spelende kinderen. Ik
vind het iets makkelijker te lezen. Je hebt een heel bijzondere
en pakkende schrijfstijl.
Willem: heb je les gehad in schrijven? Mens wat een verhaal! Ik
kijk uit naar deel 2.
Ida: heb het in één adem uitgelezen. Hoe je schrijft, vind ik
geweldig. Ik heb een paar maal hardop zitten huilen. Jammer dat
je maar drie boekjes zal schrijven. Van jou wil ik wel meer
lezen.
Margo: ik ben gisteravond in je boek gaan lezen,. Vannacht
om, of liever gezegd vanochtend om half vijf had ik het uit.
Het is echt een boek om nogeens rustig, stukje voor stukje
te herlezen. Er zitten heel fijne momenten in.
Bert: ik heb een stapeltje voor je meegebracht uit Nederland.
Tijdes de vlucht heb ik een boekje uit het plastic gevist en ik
heb heel voorzichtig, zonder de rug te kreuken, erin gelezen.
Zoals altijd begon ik achterin. Een heel sterk stuk, dat
laatste. Ha ha! Ik zal je niet vragen je handtekening te zetten,
maar ik ga je toch over iets uithoren. Je hebt het over de
Keres. Welke indiaanse taal "leen" jij voor jouw Indanen? Zij
zijn geen Pueblo of Hopi, jouw specialteit. De indianen in het
boek zijn duidelijk verwant aan de Dineh.
Riet: wat een fijn verhaal. Ik was heel benieuwd hoe het zou
aflopen met Jon. Een droomachtige wereld. Je hebt me hier en
daar een traantje bezorgd. Hoop snel deel 2 te kunnen lezen
... |
| |
|